free html5 templates

STAMNUMMER 3

“WEMBLEY MAAK JE MAAR ÉÉN KEER MEE”

Op 10 mei 1978, exact 40 jaar geleden, stond Club Brugge in het mythische Wembley oog in oog met Liverpool FC. Inzet? De Europa Cup 1. Club Brugge verloor de finale met 1-0, maar mag zich nog altijd de enige Belgische finalist noemen van het meest prestigieuze tornooi voor clubs. We schoven mee aan tafel met Julien Cools om te vragen met welk gevoel hij terugdenkt aan het Europese sprookje tijdens het seizoen 1977-1978.


In de lobby van het Weinebrugge Hotel, gelegen aan de rand van Tillegembos, ontmoeten we Julien Cools. Het is zondagavond 19u06 en Club heeft enkele uren geleden de klassieker met 1-2 verloren van de aartsrivaal uit Brussel. Na enkele discutabele beslissingen van de VAR, maar ook omdat het niet goed genoeg gevoetbald had. Julien begroet nog gauw enkele oude bekenden op het terras en dan is het tijd voor een goeie babbel met de man die er verantwoordelijk voor is dat de helft van de Kempen blauwzwart kleurt. Een goed gesprek over o.a. de match van zonet, maar vooral over zijn carrière bij Club, de succesjaren onder Happel en de finale op Wembley.


Julien, we hadden hier graag in andere omstandigheden gezeten, maar helaas. Club verloor zojuist met 1-2 van Anderlecht. Was Club niet goed genoeg?


Julien Cools : Neen, vandaag was het niet goed. Ik vroeg nog aan Hugo (Broos red.) daarjuist na de match : “En heeft Hein Vanhaezebrouck nu eigenlijk iets speciaal gedaan om Vanaken en Vormer lam te leggen?”, en Hugo antwoordde van niet. Ik kan me niet herinneren dat wij thuis tegen Anderlecht verloren hebben trouwens (knipoog), maar het was niet goed vandaag. Er wordt ook altijd gezegd dat het allemaal veel sneller gaat in het moderne voetbal, maar ik kan jullie verzekeren ook bij ons ging het snel van voet tot voet. Mocht je de match herbekijken tegen Hamburg (Halve finale UEFA Cup ’75-’76 red.) dan zou je aanvallende combinaties zien die vandaag de dag alleen zijn weggelegd voor de absolute topploegen.

"THE ROAD TO WEMBLEY"


Over Europees topvoetbal gesproken : de campagne van 1977-1978. Eerste wedstrijd tegen het onbekende Kuopion Palloseura uit Finland. Wat herinner je je daar nog van?


J.C. : Dat was op zich een makkelijke wedstrijd. Beetje vergelijkbaar met de ploegen die je als reekshoofd tegenwoordig in de allereerste voorronde van de Europa League zou tegenkomen. Wel de kampioen van Finland natuurlijk, maar het bleef toch een ‘zwak’ broertje. We wonnen ginder makkelijk met 0-4 en ik scoorde één van mijn 6 Europese goals daar. In de terugmatch opnieuw winst met ruime cijfers (5-2 red.), maar ik herinner mij uit die match één bepaalde goal nog heel goed. Die Finse keeper wou de bal uitgooien, maar slaagde daar maar half in en de bal viel recht in de voeten van ‘Janneke’ Simoens. Ja, die mocht hij absoluut niet meer missen (lacht).


Vervolgens naar Griekenland. Toch al iets beruchter in vergelijking met Finland. Sportief gezien, want Panathinaikos was in 1971 nog finalist van de EC1, maar ook extra-sportief. We kunnen ons wel voorstellen dat voetballen in de ‘Hel van Athene’ in die periode geen cadeau was.


J.C. : Het begon al toen we naar het stadion reden. Tegenwoordig rijdt er een hele horde politieagenten mee en worden de bussen afgeschermd eens ze in de buurt van het stadion zijn, maar in die tijd was er nog geen sprake van een politie-escorte. Wij reden gewoon met de bus naar het stadion, door de massa van Panathinaikos-supporters. Toen we uit die bus stapten … Nog nooit meegemaakt! We werden werkelijk langs alle kanten bekogeld. Die sfeer was extreem vijandig. En de wedstrijd zelf was dan ook nog eens spannend. Die mannen maakten daar 1-0 in de 83e minuut, maar we hebben het kunnen rechtzetten in de terugronde (Thuis won Club met 2-0 red.).


Missie volbracht. De volgende tegenstander die uit de loting komt : Atletico Madrid. Een wedstrijd die waarschijnlijk voor jou veel emoties oproept.


J.C. : Het was voor mij een heel zware periode. In februari 1978 verloren mijn vrouw en ik ons dochtertje, Grietje, na een ongeval. Dat is één van de ergste dingen die je kan meemaken. Ernst Happel riep mij bij zich en zei: “Julien, je komt terug wanneer je zelf wilt.”. Happel zelf was ook onder de indruk van de hele toestand. Mijn dochter ging vaak mee naar de training en Happel pakte haar vaak in zijn armen. Dat zag er altijd een beetje vreemd uit, want je zag dat hij dat niet gewend was om zich zo open te stellen, maar Happel was zeer menselijk. Ook al leek dat van buitenaf misschien niet altijd zo. Uiteindelijk heb ik lang getwijfeld of ik niet beter nog wat thuis bleef, maar je bent en blijft een profvoetballer en de Club, mijn teamgenoten, de fans rekenden op mij en op een bepaald moment moet je toch terug.


Op Olympia werd er gewonnen met 2-0, maar Atletico komt in de terugmatch al snel 2-0 voor na een halfuur. En in de 56’ minuut valt een afgeweerde vrijeschop in jouw voeten en schiet je de aansluitingstreffer met een pegel in bovenhoek.


J.C. : Dan komt alle emotie naar boven. Wat er toen allemaal door me heen ging … dat is moeilijk onder woorden te brengen. Dat is normaal he, amper een maand na het overlijden van Grietje. Het blijft natuurlijk wel een doelpunt. En wat doe je dan? Vieren natuurlijk. Ik heb trouwens nog gescoord in die wedstrijd, maar waarom die werd afgekeurd heb ik nooit geweten (Het zal hopelijk niet de VAR geweest zijn red.) (lacht). Enkele dagen later heb ik trouwens in de krant harde kritiek moeten slikken. Er kwamen lezersbrieven binnen van mensen die niet begrepen waarom ik zo uitbundig vierde, maar ja … Er komt altijd een moment waarop je door moet met het leven, misschien was dat wel die goal in Madrid.


Jullie verloren daar 3-2 uiteindelijk, maar met de 2-0 uit de heenmatch op zak was dat voldoende om door te stoten naar de Halve Finale tegen Juventus, het grote Juvé. Misschien wel de beste ploeg ooit van Italië.


J.C. : Met supersterren zoals Zoff en Tardelli. Ik vond dat wel leuk dat die mannen na de match ook gewoon ons truitje kwamen vragen. In Turijn verliezen we met 1-0. Niet dat we echt zwaar in de problemen kwamen, maar we verliezen toch. Op Olympia konden we altijd iets meer met de supporters achter ons. Happel besliste om met 4 spitsen (Jan Simoen, Raoul Lambert, Bernard Verheecke en Jan Sörensen red.) te spelen en René Vandereycken en ik centraal in het middenveld, alleen. Dat durfde geen enkele trainer, behalve Happel. Aanvallen, aanvallen, aanvallen zei hij. Dat was typisch Happel. Wij moesten altijd het spel maken. Op Beerschot moest ik ooit eens van hem op de bal gaan zitten, serieus, omdat Beerschot op zijn eigen helft bleef hangen en speculeerde op de counter. “Als zij niet willen, wij ook niet.”, riep Happel. Tegen Juventus was het na 2 minuten al prijs. Fons Bastijns schoof de bal onder Dino Zoff (Legendarische doelman van Juventus en Italië red.). Ze speelden typisch Italiaans, veel verdedigen. En dan komen die verlengingen en maakt René op het einde de verlossende 2-0. Volgens de Italiaanse pers volledig onverdiend, maar dat klopt niet. De sfeer nadien was fantastisch. Je wint die match na verlengingen, het hele stadion in euforie.

"LIVERPOOL AGAIN"


En dan volgt de beloning voor het harde werk. Een finale, op Wembley, tegen opnieuw Liverpool, met 25.000 Club-supporters.


J.C. : Dat was een heel avontuur voor spelers en supporters. Wij vertrokken met de spelers en het bestuur in Zeebrugge met een jetfoil. Dat is eigenlijk een soort speedboot, maar dan groter. Dat zweefde echt over het water. Alle supporters vertrokken met de boot naar Dover vanuit Oostende. Met duizenden zaten ze daar in de cafés van Oostende. Dat zal daar ongetwijfeld plezant geweest zijn (lacht). Ik ben afkomstig van Kasterlee en ook van daaruit waren er 3 of 4 bussen vertrokken richting Wembley.


In de aanloop naar de finale vielen Raoul Lambert en Paul Courant uit, en in de halve finale van de beker vs. Charleroi kneusde Krieger ook nog een rib. Club begon eigenlijk een beetje onthoofd aan de finale.


J.C. : Ja, dat klopt wel. Die halve finale tegen Charleroi verloren we trouwens en Happel gaf ons een boete van 30.000 BEF (+ - 750 euro) omdat we volgens hem niet genoeg inzet hadden getoond. Verliezen op Charleroi, dat kon niet vond hij. Na Wembley heeft Happel die boete wel kwijtgescholden (grijnst). Onze kern was ook niet zo groot. Destijds speelden wij een heel seizoen met een kern van 17 à 18 spelers. Veel fitte spelers bleven er niet meer over. Happel stapte een dag voor de finale naar de anciens van de ploeg, Leekens, Bastijns, Vandereycken en mezelf, en vroeg ons : “Wie moet ik zetten? Kü of Verheecke? Aan jullie de keuze, heren.”. Kü trainde nog maar een maand bij ons, maar die liet op training fantastische dingen zien op technisch vlak. Wij dachten allemaal dat we met Kü meer balbezit zouden kunnen houden tegen het middenveld van Liverpool. Van buitenaf dacht iedereen waarschijnlijk “Laos Kü? Hoe is dat nu mogelijk?”, maar dat was eigenlijk onze keuze.


De match zelf dan, je speelt op Wembley voor 92.500 supporters. Waarvan toch een goeie 25.000 voor Club. Hoe speciaal is dat?


J.C. : Nu ja, die 25.000 van Club. Ik heb ze niet allemaal geteld (lacht), maar er waren er inderdaad veel. Iedereen ging mee. Ook mijn moeder en mijn broer waren er. Mijn broer zijn portefeuille is zelfs nog gestolen tijdens de match. Dat stadion, die tribunes waren echt immens groot. Je komt uit die spelerstunnel, je kijkt rond. Dat is een prachtig zicht. En dan hoor je plots ‘Allez de blauwe’ uit tienduizenden kelen komen vanuit het Club-vak. Zoiets kun je maar één keer meemaken. De wedstrijd zelf was lastig. Ik had het gevoel dat de citroen na 3 succesvolle jaren uitgeperst was. We pakten 3 titels na elkaar, wonnen de Beker en speelden 2 Europese finales. Je wil graag nog één keer alles geven, maar het ging niet meer. Het vat was af. De beste man op het veld was misschien wel één van ons. Birger Jensen (Deense doelman die zowat de ene na de andere redding uit zijn mouw schudde red.) heeft daar toen de match van zijn leven gespeeld. Als ik echt eerlijk moet zijn, dan hou ik meer van de finale in ’76 tegen Liverpool, zeker sportief gezien. Daar hadden we echt wel kunnen winnen. Die bal van ‘Lotte’ op de paal … Dat was hem he!

"APPLAUS OP ANFIELD ROAD"


Nu we het toch hebben over die finale in ’76. Klopt het dat Club in de rust op Anfield Road met applaus van het veld ging?


J.C. : Ja, dat klopt. We speelden die mannen van het veld in de eerste helft. We hebben de kansen gehad om de match dood te maken, maar 6 dolle minuten in de tweede helft nekten ons.


Is dat dan onderschatting of omdat er toen niet de middelen waren op vlak van scouting zoals nu?


J.C. : Er werd niet gescout toen. Liverpool was de beste ploeg van de wereld. Wij kenden die mannen zoals Neill en Keegan bij naam, vanuit de gazetten, maar dat interesseerde ons niet. Gewoon ons spel spelen en ervoor gaan. Wij dachten daar nooit over na. Wij speelden een wedstrijd en we wilden die winnen. Voor grote ploegen zoals Real Madrid of Juventus was het misschien daarom zo moeilijk om te komen winnen op Olympia. Wij stegen boven onszelf uit op zulke momenten.


De kracht van Club bestond in die tijd ook door de sterke band van de spelers onderling. Vallen er wilde anekdotes te rapen?


J.C. : Dat viel al bij al wel mee (knipoog). Trouwens onder Happel moest je niet veel proberen. Die zat beneden te kaarten met een whiskey. Natuurlijk, als je jongens zoals Birger Jensen in je ploeg hebt zitten … (lacht). Die durfde al eens ontsnappen. Bij ons sprak iedereen Vlaams tegen elkaar. Sörensen, Krieger, … spraken allemaal Vlaams. Dat creëert sowieso makkelijker een band.

"LAATBLOEIER"


We hebben je statistieken er eens bijgenomen. Je speelde 261 wedstrijden in 6 seizoen en je miste amper 6 matchen. Wat is het geheim?


J.C. : Misschien omdat ik een laatbloeier was. Op mijn 21e speelde ik nog in eerste provinciale bij Retie. Vandaar ging ik naar FC Beringen. Dat was wel al eerste klasse, maar ik rookte toen nog ‘Groene Michel’ (grijnst). Op mijn 25ste tekende ik dan bij Club en dan ben ik wel gestopt met roken. Spelen voor Club was toch wel een eer en ik deed er vanaf dan alles voor. Ik weet nog goed dat in het begin Carteus en Thio mij soms apart namen en zeiden: “He Julien, doe maar rustig he jongen!” (lacht). Ik trainde wel altijd hard, soms zelfs te hard. Op stage in Denemarken was ik zodanig veel kilo’s verloren dat ik enkele dagen ziek in bed lag. Tegenwoordig met al die hartslagmeters en apparatuur zou dat niet meer mogelijk zijn. Ik was bijna nooit geblesseerd, behalve één keer op Real Madrid. Trouwens nog één van die gemiste matchen was een bekerduel in Ramsel, in mijn achtertuin zeg maar. Iedereen van Kasterlee en Retie was aanwezig, maar echt iedereen. En toch mochten Raoul Lambert en ik niet meedoen. Dat was ook weer een apart verhaal. Happel dacht misschien dat het te makkelijk zou zijn geweest (lacht).


THE ROAD TO WEMBLEY

Club Brugge KV had zich geplaatst voor de Europabeker voor Landskampioenen (Europacup I), de voorganger van de Champions League, door in 1977 de 4e titel uit de geschiedenis binnen te halen onder de Oostenrijkse coach Ernst Happel.


Club Brugge was de eerste Belgische ploeg ooit die de finale van het meest prestigieuze Europese Clubtornooi wist te bereiken, een prestatie die tot op vandaag niet geëvenaard werd. Ondanks de nipte 1-0 nederlaag leverde de prestatie van Club, dat veel sterkhouders miste door blessure, lof op van vriend en vijand.


De weg naar Wembley kan je aan de hand van onderstaande interactieve map herbeleven. Statistieken dankzij Michel Berix.

WAT ALS RAOUL ‘LOTTE’ LAMBERT FIT WAS GEWEEST?

10 mei 1978 blijft voor eeuwig en altijd een historische dag in de geschiedenis van Club. Op het heilige gras van Wembley speelde blauwzwart, als eerste en wellicht ook als enige Belgische ploeg ooit, de finale van Europa Cup 1 (voorloper Champions League) tegen het grote Liverpool FC. Club kreeg er de steun van een 25.000 tal supporters. Eén van hen was Luc Vanden Meersschaut, bezig aan zijn 17de seizoen als stadionomroeper van Club Brugge.

"BRUGSE AANVALSLUST"


Het supportersverhaal begint voor Luc al 10 jaar voor die historische avond op Wembley. “Mijn eerste wedstrijd die ik bijwoonde was in 1968. Mijn vader nam mijn broer en mij mee naar de wedstrijd Club-Standard. Club speelde attractief voetbal, maar een sterke Christian Piot hield Club van een goal. De wedstrijd eindigde op 0-0, maar de amusementswaarde lag zowel op als naast het veld hoog.”

Club speelde toen nog op De Klokke, waar supporters bijna letterlijk aan de zijlijn stonden. Het publiek kon als het ware het veld ruiken. “In de tribunes was het een beetje duwen en trekken om een goed zicht op het veld te krijgen. Als klein jongetje kon ik slechts een glimp opvangen van wat er op het veld gebeurde.” Op het veld kon Club rekenen op een geweldige offensieve weelde. “Lambert in de spits, Thio op de rechterflank, Bailliu op links en Carteus als regisseur op de nummer 10 … Het was de combinatie van Brugse aanvalslust en de dwingende sfeer in het stadion die me onmiddellijk konden bekoren. Vanaf toen had ik de blauwzwarte microbe te pakken.”, vertelt de stem van Jan Breydel.


“OP TIJD VOOR DE MATCH”


Halfweg de jaren ‘70 verhuisde Club van de Klokke naar het Olympiastadion, maar dat veranderde niets aan de passie van de Clubfan volgens Luc: “Op het gebied van sfeer waren de jaren ’70, net als het voetbal van Club, echt top. Ook na de verhuis naar Olympia. De staanplaatsen speelden een belangrijke rol. Ik herinner me de terugmatch tegen Hamburg (Halve Finale van de UEFA Cup in 1976) nog levendig. Om 17u30 gingen de stadionpoorten open en toen was het al drummen aan de ingang. Vooral bij Europese wedstrijden was dit geen uitzondering.” In deze periode werd bij Luc ook de interesse aangewakkerd voor de rol van de stadionspeaker. “Marcel Vankeirsbilck praatte de uren voor de wedstrijd vol met het voorlezen van o.a. reclameboodschappen. Met zijn gekende, rollende ‘r’ was het een plezier om Marcel bezig te horen.”


“GUARDIOLA NAAR CLUB”


Ook sportief kende Club weinig moeite met de verhuis naar het stadion waar het tot op vandaag de dag nog altijd speelt. Op 21 januari 1974 kwam Ernst Happel naar Club vanuit het zonnige Sevilla. En dat bleek een uitstekende zet voor blauwzwart. “Het was fantastisch dat Happel naar Club kwam. Met Feyenoord had Happel al eens de Europa Cup 1 gewonnen. Eigenlijk zou je het kunnen vergelijken dat plots Guardiola als trainer naar Club zou komen. Een trainer met naam en faam.”

De periode onder Happel was één van de succesvolste periodes uit de geschiedenis van Club. In 3 jaar tijd werd blauwzwart 3x achtereenvolgens kampioen in ‘76, ‘77 en ‘78. In 1977 won Club zelfs de dubbel na een bloedstollende finale (4-3 winst met o.a. 3 goals van Roger Davies) tegen de Brusselse aartsrivaal.


“PITCH INVASION”


“Aan de titelmatch op Lokeren in ’78 hield ik nog een leuke herinnering over.” Club had voldoende aan een gelijkspel. Het werd 1-1 en er barstte voor de zoveelste keer in een korte tijd een volksfeest lost. Het stadion zat vol met Clubfans, die na het laatste fluitsignaal het veld bestormden. “Ik stond ook op één van de eerste rijen en liep mee met de massa. Julien Cools was de eerste die ik tegenkwam en ik wenste hem proficiat met de titel. Enkele dagen later lag het sportmagazine ‘Sport 70’ in de winkelrekken en wie prijkt er op de voorpagina? Julien Cools net na het fluitsignaal met naast hem een heel enthousiaste fan. Gelukkig was er in die tijd nog geen sprake van stadionverboden en ik hoop dat ondertussen de feiten verjaard zijn.”, lacht Luc met een knipoog.


“BLAUWZWARTE OCHTEND IN OOSTENDE”


Enkele dagen na het titelfeest in Lokeren mag het Blauw-Zwarte Legioen zich klaarmaken voor de trip naar Wembley, de bakermat van het voetbal, voor de finale van het grootste voetbaltornooi. Een unieke gebeurtenis. Het grootste deel van de Clubfans vertrok met de boot vanuit Oostende. “De sfeer was geweldig. ’s Morgens vroeg, heel vroeg zelfs, reden we naar Oostende. Daar zaten tienduizenden Clubfans te wachten. Elk cafe in Oostende kleurde blauwzwart. Er werd gezongen en gedronken. Het was één groot feest.”

Vanuit Oostende vertrokken de ‘Brugse’ boten richting Dover. Daar werden de supporters opgewacht door honderden bussen, die hen naar de Engelse hoofdstad zouden brengen.

“Toeval wil dat een BRT-ploeg, die een reportage maakte over de volksverhuis naar Wembley, op onze bus stapte. De supportersgezangen werden opnieuw ingezet.”


“YNWA EN WONNA SWAP?”

In een tot de nok gevuld Wembley waren de Engelse fans in de meerderheid. “We zaten in een hoek van het Wembleystadion op de onderste rijen. Maar toch met zicht op de machtige spionkop van Liverpool. Voor de wedstrijd brachten zij een arsenaal aan clubliederen, waaronder You’ll never walk alone. Indrukwekkend! Daar konden we echt niet tegen op, ook al probeerden we enkele keren.” Er was wel wederzijds respect tussen beide supportersclans. “Na de wedstrijd werden we omsingeld door supporters van Liverpool die wilden ruilen “Wonna swap?”. We hadden geen keuze. Onze blauwzwarte sjaals en mutsen in ruil voor roodwitte. Die muts heb ik nog steeds trouwens, met de handtekening van Lambert, Bastijns, Volders en Jensen erop.”


“ONTGOOCHELD, MAAR VOORAL TROTS”


Club verloor de finale op Wembley na een listig lobballetje van Kenny Dalglish. “Nochtans was Birger Jensen die dag magistraal. Hij hield ons in de wedstrijd. De vraag die iedereen zich na de match stelde was : Wat als Raoul Lambert fit was geweest? Zonder hem was onze aanval onthoofd. Misschien hadden we met onze ‘Lotte’ meer kans gehad om iets te rapen op Wembley.”, besluit Luc. Op de terugrit London – Dover verliep het allemaal iets minder uitbundig dan in de heenrit, maar Club had tenslotte wel de Finale van de Europa Cup 1 gespeeld. “De lange reis zorgde ervoor dat de vermoeidheid toesloeg en sommigen vielen in slaap terwijl de BRT-ploeg nog altijd bezig was met filmen. Enkele dagen later kwam de Panorama-reportage dan op het scherm en konden we aan iedereen thuis tonen dat we Club hadden gesteund. Uiteindelijk is het toch het gevoel van trots, op Club en op het memorabele parcours, dat overheerst.”


De beelden van de Panorama-reportage ziet u hier.

Je kan onze ‘jonge’ stadionomroeper zien in de reportage op 02:49 links van de geïnterviewde Clubfan, op de heenrit naar het stadion op 04:03 rechts in beeld met oranje pull en op de terugrit naar huis op 06:09.


MIRROR SPORT:
"AFRAID OF NOBODY SAYS HAPPEL"